Heidemeersen Grote Zandwinningsput

De Heidemeersen

Scheldemeersen en rivierduinen

Geprangd tussen de dorpskernen van Berlare en Wichelen ligt een gebied dat omwille van zijn landschappelijke en biologische verscheidenheid zeer bijzonder moet geweest zijn. Dagdroom met mij 'even' terug in de tijd. Vanaf de kerk van Berlare wandelen we onder de kruinen van eiken- en beukenbomen in zuidwestelijke richting het reliëfrijke kasteelpark door. We verlaten de schaduw van de parkbomen en kuieren door de deels begroeide zandduinen van de 'Groote Heye' o.a. de Konijnenberg richting Schelde toe. Even wanen we ons binnen dit uitgestrekt duinenlandschap wel aan zee, ware het niet dat brem en heide hier volop groeien. Het verhitte zand doet ons af en toe de koelte van vochtige vennen opzoeken. Halverwege wordt het landschap vlakker: eerst lopen we over zandige akkers, dan sjokken we door drassige weiden langs het uitgeturfde water van de Wakkebroeken. Voor ons liggen de beboste flanken van de Hogeberg. We beklimmen de duinentop en lopen noordwestelijk over de duinenrij naar het meer open deel van de "Cleyne Heye". Links zien we de uitgestrekte bloemrijke hooilanden van de Scheldemeersen. Achter de met rietbegroeide Scheldedijk priemt de Wichelse kerktoren in de helderblauwe lucht. Ontwaak nu en stel vast dat dit landschap veel van zijn pracht heeft verloren en onuitwisbare littekens draagt van de "vooruitgang" van onze mensenmaatschappij. Of om wijlen acteur en regisseur Paul Cammermans (1921-1999) te citeren: "We sleten onze jeugd te Berlare op wat wij "de bergen" noemden. Ze waren grandioos: 't Stampkot, de Konijnenberg en de Hoge Berg. Ook de Wakkebroeken, de vennen en grachten ... Ik heb er een heerlijke jeugd gehad. Jammer dat er zoveel is opgeofferd om er huizZandweg in de Heidemeersenen te bouwen, een stuk natuur, unieke natuur, die we niet meer zullen terugzien."
Niettemin blijft wat rest zeker nog de moeite waard. Daarom startte Natuurpunt in 2000 met de uitbouw van een reservaat binnen dit ± 250 ha grote gebied. De naam "Heidemeersen"- een samenvoeging van historische plaatsnamen als de 'Cleyne -' en 'Groote Heye', Vrauwmeersch en de Scheldemeersen - wil dan ook vooral de landschapsecologische diversiteit van het gebied accentueren. Het beoogde reservaat bestaat enerzijds uit aaneengesloten vochtige meersen (100 ha) met open karakter gelegen in de alluviale vlakte van de Schelde en anderzijds uit de noordoostelijk gelegen rivierduinenzones met als kern het natuurgebied rond de ‘Vinkenberg’ en bijhorende depressies van ‘de Wakkebroeken’ en ‘de Kruishoutput’.
Het rivierduinengebied op zich is op zijn minst gezegd reeds zeer gevarieerd aan biotopen, van droog tot nat: schrale graslanden, eiken- en populierenbossen, weilanden met knotwilgenrijen, turfputten, visvijvers en ruigten. Daarboven zorgt de openheid van de meersen voor een extra dimensie. Door aanleg van een binnendijk werd het meersengebied in 1986 grotendeels omgevormd tot potpolder. De nieuwe dijk vormt in grote lijnen de opdeling in de twee deelgebieden: de meersen zijn hoofdzakelijk gelegen in ‘agrarisch gebied met ecologisch belang’, de rivierduinenrestanten zijn op het gewestplan als natuur- of parkgebied ingekleurd; de ruimte ertussen wordt opgevuld als ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Op de Biologische Waarderingskaart van België werd de potpolder ingekleurd als ‘biologisch waardevol’, de rivierduinen gedeeltelijk als ‘biologisch zeer waardevol’. Het belang van het gebied voor fauna en flora werd Europees erkend: de zuidwestelijk gelegen helft langs de Schelde valt in Habitatrichtlijngebied, de rivier en zijn oevers zijn Vogelrichtlijngebied.

Ontstaan, bodem en waterhuishouding:

Het oorspronkelijke landschap van het gebied werd in grote lijnen geboetseerd na de laatste ijstijd door de grote meandervorming van de Schelde en de vorming van het zandduingebied in de periode 13000 tot 10300 v. Chr.. Binnen de meanders van de Schelde werd door windwerking een duinencomplex opgebouwd met laatglaciale stuifzanden afkomstig uit de rivierbedding van de Schelde. Duinhoogtes die het peil 10 tot 20 meter bereikten waren geen uitzondering en maakten het reliëf t.o.v. de omliggende dekzanden bijzonder uitgesproken. Een lichte depressie deelde dit duinencomplex op in twee delen: enerzijds de tegen de dorpskern gelegen "Grote Heide" en anderzijds de op de rand van de laatglaciale riviervlakte gelegen "Kleine Heide".Vooral de tweede helft van vorige eeuw is door uitzanden, nivelleren en bebouwen het oorspronkelijke reliëfrijke stuifzandgebied sterk gewijzigd. Enkel het kasteelpark, het zuidwestelijk gedeelte van de Grote Heide en de Vinkenberg zijn nu nog vrij ongeschonden. In de Heidemeersen kunnen we aldus volgende reliëfeenheden onderscheiden: duin-, dekzand- en alluviaal gebied. De Grote en de Kleine Heide worden gekenmerkt door de aanwezigheid van duincomplexen waarvan respectievelijk ‘t Stampkot en de Vinkenberg nog als vrij intacte duinen kunnen bewonderd worden. Tussen de duingebieden vinden we een dekzandzone met een halfopen tot open landschap dat vooral uit weilanden en akkers bestaat en met een depressie (wellicht een vroegere nevengeul van de Schelde) waarin door turfwinning twee waterplassen zijn ontstaan: de Wakkebroeken en de Kruishoutput. Tenslotte ligt tegen de Schelde het open alluviale meersengebied dat vooral uit hooilanden bestaat. In tegenstelling tot de rest van het gebied met hoofdzakelijk zandige bodems, vinden we hier kleibodems ontstaan uit alluviale slibafzettingen van de rivier. Begin jaren tachtig werd de huidige potpolder ingericht als overstromingsgebied: bij hoge waterstanden stroomt het Scheldewater spontaan over de oude maar verlaagde dijk de polder in om daarna bij eb terug af te vloeien. Het water wordt via ‘De Sloot’ - die parallel met de Schelde de polder in twee snijdt - naar de afvoersloten (o.a. de Bansloot) gevoerd en vloeit via sluizen onder de dijk terug in de rivier. In deze meersen zijn nog enkele kwelzones te vinden vooral tussen de nieuwe potpolderdijk en ‘De Sloot’. Het dekzandgebied daarentegen is minder onderhevig aan hoge grondwaterstanden; slechts enkele percelen kennen nog een duidelijke kwelinvloed. De grondwatertafel zit in de laaggelegen percelen zeer oppervlakkig en daarom werden in het verleden afwateringsgrachten gegraven die het gebied gedeeltelijk ontwateren.

Diversiteit aan fauna en flora

De Schelde en de meersen In de rietkragen van de Scheldedijk en de Berlaar hoort men vanaf eind april het typische refreintje van de kleine karekiet. Hier bouwt deze architect zijn hangend nest. De alhier zeldzamere bosrietzanger, die iets later terugkeert uit Afrika, bouwt zijn nest in de hoger gelegen zone met riet, braam en brandnetel. Jaarlijks kiest de koekoek enkele paren uit als adoptieouders. Eens met jongen ziet men de oudervogels de dijkweg oversteken naar de insectenrijke tafel van de aangrenzende meersen. Terzelfder tijd worden reeds uitgevlogen jongen van witgesterde blauwborst – die ook enkele zangposten heeft langs de Bansloot - voorzien van lekkers. De hooimeersen zijn vooral van belang voor onze steeds meer bedreigde weidevogels. De jaarlijkse vroegtijdige maaibeurten zijn immers nefast voor de nog aanwezige grondbroeders. Veldleeuwerik, grauwe gors, graspieper en paapje zijn jammer genoeg als broedvogel verdwenen; kievit en slobeend blijven zich voorlopig handhaven. In de ruigere kanten binnen de hooilanden broeden nog een paar koppels rietgorzen en de mysterieuze sprinkhaanzanger wordt bijna jaarlijks zingend aangetroffen. Ook de bergeend wordt regelmatig met jongen in de meersen of op de Berlaar aangetroffen en maakt vermoedelijk als broedplaats gebruik van konijnenholen in de rivierduinen. Een positieve noot is de eerste broedpoging van de grutto in 2001. In 2002 werd in de onmiddellijke omgeving van aangekochte en nog niet gemaaide reservaatpercelen één geslaagd broedgeval met twee jongen opgemerkt, in 2003 zelfs drie broedparen. Als foerageergebied oefenen de meersen nog steeds een grote aantrekkingskracht uit op doortrekkende watersnippen en in strenge winters op smienten. Het grootste deel van de meersen bestaat uit raaigras-beemdgrasweiden met een dominantie van scherpe boterbloem - die in de maand mei voor een botergele gloed zorgt - met een duidelijke vernatting tegen de Bansloot waar we dan ook de meest waardevolle graslanden vinden. Pinksterbloem, veen- en smeerwortel komen algemeen voor terwijl de soorten van het dotterbloemverbond eerder sporadisch te vinden zijn o.a. koekoeksbloem, tweerijige zegge, oeverzegge, gewone waterbies, dotterbloem, moeras-vergeet-mij-nietje. Toch kunnen nog enkele percelen als echt dottergrasland geklasseerd worden. Een opmerkelijke soort vooral tegen de Bansloot is de poelruit.

Het rivierduincomplex van Vinkenberg/Hoge berg en Kleine Heide

Voor zandwinning werd de rivierduinzone van de "Kleine heide" gedeeltelijk weggegraven en zo ontstonden een achttal visvijvers tot een maximale diepte van tien meter. Later werden her en der weekendverblijfjes ingeplant. Naast de nog intacte Vinkenberg vinden we verspreid nog enkele rivierduinrestanten terug. De rivierduinzone vormt in overgang naar de meersen en de depressie van de Wakkebroeken en Kruishoutput een mozaïek van bosjes en graslanden, zowel droog als nat. Enerzijds vinden we er struisgrasland met soorten als zandzegge, gewone veldbies, schapenzuring, vroege haver, vogelpootje, zandblauwtje, rood zwenkgras, schapengras, muizenoortje, muurpeper,… ; en in de ruigere randen brem, glanshaver en zachte dravik. Algemeen staat in enkele droge schrale graslanden veelkleurig en stijf vergeet-mij-nietje en aan de perceelsranden en langs zandwegen grasklokje en kromhals. Anderzijds en op korte afstand vinden we natte graslanden op kleibodem met dotterbloem, gewone waterbies, echte koekoeksbloem, waterereprijs, pinksterbloem, wolfspoot, moerasspirea, … . De landduinen van de Vinkenberg/Hoge berg zijn voor een groot deel bebost met een eikenvegetatie. Naast zomereik komt ook lijsterbes, hulst, kardinaalsmuts, gelderse roos, ruwe olm en witte abeel voor naast de gekende exoten die langzaam maar zeker de bovenhand krijgen: Amerikaanse vogelkers -vogelpest genaamd en zeer goed gedijend op droge zandgronden -, Amerikaanse eik en tamme kastanje. In de ondergroei van het bos vinden we nog soorten als kamperfoelie, dalkruid, lelietje-van-dalen, salomonszegel, bleeksporig bosviooltje en gevlekte aronskelk. In de rand van een perceel komt de bosgeelster zeer plaatselijk maar talrijk voor. In het rivierduinengebied broeden wielewaal, buizerd, sperwer, bosuil, ransuil. De ijsvogel graaft zijn gangen in de steile oevers van de zandwinningputten. De steenuil zoekt zijn holte in de schaarse knotwilgenrijen van enkele percelen en de roodborsttapuit broedt sporadisch in verruigde wegbermen. Het minuscule goudhaantje heeft een stek gevonden in de kleine sparrenbossen. Op warme dagen is de mozaïek van bosjes met overgangen naar droge en natte graslanden de plaats bij uitstek om vlinders te bewonderen. De Heidemeersen herbergen nog belangrijke restpopulaties van het zeldzame bruin blauwtje en het hooibeestje, naast tal van andere vlinders zoals kleine vuurvlinder, oranjetipje, landkaartje, eikenpage en koninginnenpage. Loopkeverinventarisaties brachten een aantal zeldzame en één rode-lijstsoort aan het licht. Als bijvangst is de kortschildglimworm vermeldenswaardig. In zonnige perceelstranden kan men met wat geluk de levendbarende hagedis waarnemen. Gewone pad, bruine en groene kikker komen daarentegen nog vrij algemeen voor.

De turfputten:Wakkebroeken en Kruishout

De randpercelen zijn voornamelijk aangeplant met populier. In de ondergroei vinden we dikwijls nog tal van planten terug die wijzen op het vroegere gebruik als grasland. De aanwezigheid van o.a. zwarte els, éénstijlige meidoorn, aalbes in de struikenlaag duidt op de mogelijkheid om te ontwikkelen tot valleibos. Enkele bosjes vertonen nu al de een mooi ontwikkelde kruidlaag met onder meer wolfspoot, slanke sleutelbloem, gele waterkers, bitterzoet, gele lis en dotterbloem. In de struiklaag gedijt naast zwarte els ook hazelaar, gelderse roos, vlier en rode kornoelje. Vermeldenswaard is het voorkomen van de paarse schubwortel een wortelparasiet die op o.a. populierenwortels groeit. Opvallende waterplanten zijn hier waterlelie en de prachtige gele plomp. De turfputten oefenen een enorme aantrekkingskracht op wilde-, slob-, krakeend en wintertaling. De visarend werd sporadisch waargenomen.

‘t Stampkot en de rivierduinrestanten van de Grote Heide

Zandblauwtjes op het StampkotVerschillende duinen werden afgegraven en vervolgens samen met de dieper gelegen vennen door bebouwing ingenomen. Enkel het kasteelpark, het Stampkot en de duinrestanten achter de Bergschool blijven over. Op ‘t Stampkot - eigendom van de gemeente - vinden we zeer beperkt nog struisgrasland met heidefragmenten: vroege haver, vogelpootje, zandblauwtje, rood zwenkgras, schapegras, buntgras, muizenoortje, muurpeper, klein tasjeskruid en zandzegge. Historische waarnemingen zijn er van wilde tijm, struikheide en kruipbrem. Jaar na jaar ging de toch wel bijzondere vegetatie door gebrek aan beheer verder achteruit: deels door "recreatie" (motorcross, 4x4, en quads) die niet thuishoort in dergelijk gebied, deels door verbossing met exoten. Hoog tijd dus om er samen iets aan te doen ! Aan het gemeentebestuur werd dan ook de vraag gericht om deze gronden in beheer te geven wat uiteindelijk ook geschiedde in 2009.
 Sinds de opstart van het project werden reeds 30 ha aangekocht en werd heel wat werk verzet: populier en exoten gekapt voor omvorming naar streekeigen bos, wilgen geknot, sluikstorten opgeruimd, verlaten weekendverblijven afgebroken, rasters geplaatst, … . Toch dient nog veel te gebeuren.  Wie een helpende hand wil uitsteken kan steeds terecht bij onze conservators.
Op recreatief vlak nodigen de paden langs de Schelde-oevers en de zandwegjes uit tot verkenning van dit gevarieerde landschap. Naast Grote Routewandelpad (GR 128) loopt er ook een mountain-bike-traject dwars door het gebied. U bent er steeds welkom.